In het fotowerk van Peter de Kan (1957) worden werkelijkheden verwoven. Hij beschrijft het dan ook als volgt:
Twee keer achter mij het geraas van het verkeer, een optrekkende vrachtauto er bovenuit,
kijken een schaduw valt op een vel papier (niet hoorbaar), iemand hapt in een ijscobakje,
nu een tram, eerder ook al het geklepper in de rails, nu de sirenes van politie? brandweer?
een pen schuurt over een vel papier (niet hoorbaar), het ononderbroken geluid van een
ambulance? vóór mij het schuren van een schop in een stapel grind of grof zand, rechts het
drilboor, een vogelgeluid, een loopgeluid, een stemgeluid, een vraaggeluid, een door-
geluid van een stationair draaiende betonmolen, het blijkt een man die met een grasmaaier
loopgeluid, een aankijkgeluid (niet hoorbaar), een hulpeloos gebaargeluid (niet hoor-
voorbijloopt, een belletje van een tram, voetstappen, gepraat: moederstem, zoonstem.
baar), een geef me toch een sigaretgeluid, een sodemieter toch opgeluid, een nieuw-
moederstem, zoonstem, voetstappen (moedervoetstappen), getsjilp van mussen, opnieuw
bouwgeluid, een rijdgeluid, een stopgeluid, een hondgeluid, een renovatiegeluid, het
voetstappen nu van rechts naar links, de mussen, het belletje, nu uit andere richting en
geluid, komend van die grote markt, van een oude vrouw achter een stalletje, het geluid
nog eens, meer verderweg, een fluitje, een piepende rem, een
van de belletjes in dat sodawater, het geluid als ze even met de hand het |