Wat is echt en wat is nep?

Wat is echt en wat is nep? - door Caspar Janssen

Het zegt al heel veel dat we ons deze vraag tegenwoordig stellen als het gaat over natuur. Want de natuur van de natuur is toch, zou je zeggen, dat die natuurlijk is. Maar zo simpel ligt dat dus niet meer. En dat is ook waarom het thema van dit festival, onze dubbelzinnige relatie met de natuur, zo goed gekozen is. 

Ik citeer nu even de aankondiging van deze manifestatie: In Vivo is geïnspireerd door een rijke traditie van natuurliefde en laat beelden zien van een confronterende schoonheid, die bij nadere bestudering blootgeven hoezeer onze natuurbeleving geregisseerd wordt door economische, sociale en culturele bewegingen. 

Daar moest ik wel even over nadenken. Maar het is waar: ook onze natuurbeleving is onderhevig aan modes, grillen en belangen. Alleen al het feit dat natuurorganisaties tegenwoordig zelf meer geld moeten genereren, en dus verdienmodellen hebben, heeft ons vele nieuwe, wonderlijke vormen van natuurbeleving opgeleverd, zoals mountainbiken, crosstrails, trouwen in de natuur, koken in de natuur en feesten in de natuur. Terwijl de natuur toch, als je die bekijkt zoals vele fotografen het op deze manifestatie doen, van zichzelf al zo wonderbaarlijk is, en fascinerend, en inspirerend. 

Het gaat nog verder: ook de natuur zelf, en het beheer ervan, is onderhevig aan allerlei belangen, modes, grillen en bewegingen. Ik vraag mij regelmatig af: waar sta ik nu eigenlijk naar te kijken. Dat is precies mijn opdracht, in het project waarmee ik mij momenteel bezig hou: verklaringen zoeken voor het veranderende landschap. Waarom staat half Nederland tegenwoordig vol met maisvelden? Waarom zijn schitterende Drentse essen, waar eeuwenlang voedsel werd verbouwd, nu in gebruik voor de extreem belastende lelieteelt, met het oog op de export naar Japan en China? Waarom zijn grote delen van Friesland veranderd in groene woestijnen van raaigras. Waarom verdwijnt de grutto, en de veldleeuwerik, en waarom krijgen we de ganzen er voor terug? 

Belangen en bewegingen hebben ons ook nieuw marketingjargon opgeleverd. Natuurmonumenten heeft tegenwoordig boswachters ‘communicatie en beleven’, terwijl ze nog niet zo lang geleden gewoon boswachters hadden die je iets over de natuur konden vertellen. Wildernis, Nieuwe wildernis, the big five, oerr. 

Terwijl we natuurlijk allemaal weten, eigenlijk al sinds J.C. Bloem, dat wildernis en oernatuur in Nederland niet meer bestaat. 

Het is niet zo moeilijk om onze omgang met de natuur, zeker in Nederland, te bespotten. Ik ben nu een jaar bezig met mijn voettocht door onze cultuurnatuur of halfnatuur en ik word er zelf ook weleens lacherig van, of geïrriteerd. We plaggen, we maaien, kappen en we graven wat af. Allemaal om maar het natuurbeeld te creëren dat ons voor ogen staat. Of om tegen wil en dank het plaatje te behouden dat honderd jaar geleden bestond, maar dat zou verdwijnen als je niets zou doen, gezien de verwoestende invloed van andere menselijke activiteiten, landbouw, industrie, verkeer. Je kunt best stellen dat we in Nederland een natuurmuseum in stand houden, waarin postzegels met beelden uit het verleden worden gekoesterd. Dus leggen we stukken hout in beekjes om de loop te vertragen, of proberen we met technische middelen de waterstand in beekjes te verhogen, opdat de oevers af en toe overlopen, want dit levert de plantenrijkdom op die ons voor ogen staat, en het idyllische plaatje dat we kennen uit het verleden. Wat we ook doen is: natuurdoelen vaststellen. Dus worden stukken bos gekapt om de heide terug te laten komen, voor gladde slangen, voor vlinders, voor amfibieën waarvan we vinden dat we die moeten behouden. En dat staat allemaal beschreven in vuistdikke plannen.

We doen ook aan ‘nieuwe natuur.’We graven nevengeulen in uiterwaarden, zetten er exotische paarden en runderen in en noemen het vervolgens ‘nieuwe wildernis’, waar de natuur zijn gang mag gaan. Tot op zekere hoogte natuurlijk, want als het water te hoog staat worden de paarden en runderen in veiligheid gebracht. En als de paarden en runderen – in feite goedkope maaimachines – te veel in aantal worden, worden er een aantal uitgehaald en tot vlees verwerkt. En als het gebied te natuurlijk wordt, grijpt rijkswaterstaat in, want de waterbergingsfunctie mag niet in het geding komen. Aan dat soort dingen moet ik wel denken als ik door de prachtige uiterwaarden van Nederland loop: het is zorgvuldig gecultiveerde wildernis, wildernis binnen de lijntjes. 

De vraag is: is dit erg? Is dit slecht? 

En: is dit typisch Nederlands? 

Nee dus. Nederlanders hebben de neiging om wegwuivend te doen over de eigen natuur, maar in werkelijkheid is onze delta enorm belangrijk, bijvoorbeeld voor miljoenen trekvogels. Tegelijkertijd hebben we de neiging om natuur in het buitenland te overschatten. Is het in Frankrijk beter, is daar sprake van ongerepte natuur? Nauwelijks. Er is misschien meer ruimte, maar ook in Frankrijk is ieder geschikt stukje grond ontgonnen voor de landbouw of voor andere menselijke activiteiten. Wat er nog aan natuur is, is er vanwege de coulance van de mens, draagt het stempel van mensen en wordt goeddeels beheerd door mensen.   

Ik kom regelmatig in Spanje. En ja, de natuur in Spanje is overweldigend, maar zowat iedere berg is al eens afgetopt of uitgehold voor de mijnbouw, de mineralenwinning of de wegenbouw, de kastanjebossen in het noorden zijn grotendeels aangeplant door de Romeinen, en ook latere bosbouw heeft de oorspronkelijke bossen verdrongen. Veel rivieren zijn net zo ingedamd, gekanaliseerd en vervuild als elders, en in bijna elke rivier is wel ergens een waterkrachtcentrale aangelegd. Ook in Spanje is bijna nergens een ecosysteem te vinden dat nog volledig intact is.   

Een paar jaar geleden was ik in Asturië, waar de laatste beren van Spanje standhouden, hoog in de bergen. Dat ze hoog in de bergen zitten is een direct gevolg van menselijke invloed; vroeger liepen de beren gewoon in de loofbossen in het laagland. De Spaanse berenbeschermers die ik sprak, overlegden met mijnbouwers om voor beren belangrijke bergen te sparen, ze legden verbindingen aan tussen berengebieden, ze beschermden de bijenkorven van de imkers en plantten kersenboomgaarden voor de beren. Ze deden, kortom, precies hetzelfde als Nederlandse natuurbeschermers.

We leven, dat wil ik hier maar mee zeggen, inmiddels in het antropoceen, het geologische tijdperk waarin de invloed van de mens allesbepalend is. We kunnen de natuur maken of breken. Dat geldt, zoals bekend, voor het tropische regenwoud, en ook voor de noord- en zuidpool. En dat geldt dichtbij huis, zelfs op het voetpad, waar de gemeente al of niet het onkruid kan laten woekeren tussen de stoeptegels, of in de berm.

Dat is misschien erg, maar dat biedt ook mogelijkheden. We kunnen onze invloed ook positief aanwenden. En laat Nederland daarin nou net voorop lopen. We liepen voorop in de vernieling, maar mede daarom liepen we ook voorop in de bescherming, zeg maar sinds het Naardermeer werd gered, toen er een vuilnisbelt was gepland, begin vorige eeuw. Veel vroeger dan in andere Europese landen werden allerlei stukjes overgebleven grond uitgeroepen tot natuurmonument. En al die postzegeltjes vormen nu samen het natuurmuseum Nederland. Er is in Nederland heel weinig van bijna alles, op een kleine oppervlakte. Dat varieert van orchideeënrijke duinvalleien, natte heide, beekdallen tot allerlei soorten bosjes. Om niet te spreken van de schorren, de kreken, graften en grubben. Plaatselijk is het prachtig. 

Ik denk heus weleens: laat de boel de boel, dat scheelt een hoop gedoe. Alles groeit dan dicht, met bramen, brandnetels en wilgen, en heel veel kleurrijks zal dan verdwijnen. Dat is dan de natuur die we verdienen, kun je dan zeggen. Lastig. Ik neig er dan toch naar om onze pareltjes tegen de klippen te behouden.

En die ‘nieuwe natuur’, dan? Het was lachen geblazen, toen de eerste graafmachines in de uiterwaarden verschenen om natuur te maken, zoiets idioots kon alleen in Nederland. Maar ja, toen waren de graafmachines weg, de mensenhanden verdwenen nagenoeg, en binnen een paar jaar explodeerde de flora en de fauna. Dan is het opeens wel heel moeilijk om daar problemen mee te hebben. Het geeft ook aan: natuur is veerkrachtig. Ze heeft vooral ruimte nodig, en bescherming. 

De vraag is wel: voor wie doen we het eigenlijk? We doen het voor onze broodnodige natuurbeleving, zo is tegenwoordig de heersende opvatting. Voor ons genot, voor de rust, voor onze gezondheid. Ja, maar dat riekt me toch te veel naar: natuur is een luxe. Terwijl: we hebben natuur domweg nodig. Zonder wilde bijen, zonder bestuivers, wordt het leven bijvoorbeeld lastig voor mensen.  Persoonlijk vind ik dat we natuur vooral moeten beschermen voor de natuur zelf. Juist in het antropoceen zouden we in staat moeten zijn om ruimte te gunnen aan al die wat minder nadrukkelijk aanwezige soorten.   

Terug naar de beginvraag: is het dan echt of nep, die door mensen gevormde, gepamperde of aangelegde natuur in Nederland? Ik zou zeggen: planten en dieren stemmen met hun poten, zaadjes, wortels, vleugels en vinnen: waar zij kunnen leven, in interactie met andere soorten, is er natuur. De porseleinhoen, de blauwborst, de witsnuitlibel, de grutto, de bever, de zeearend, ze vragen zich echt niet af of het waterpeil al of niet door mensen wordt geregeld, of waar opeens die ideale biotoop vandaan komt die ze ontdekken. Met andere woorden: voor dieren en planten is het wel echt.