Openingstekst Hubert Smeets

Expositie The Hungarian Revolution of 1956

Op vrijdag 12 mei opende Hubert Smeets, hoofdredacteur van de Groene Amsterdammer, de tentoonstelling met de volgende tekst:

Het cliché wil dat één goede foto hét moment van de waarheid vertolkt. Volgens Erich Lessing klopt dat niet. "Fotografie is een heel licht medium. Je ziet niet of er leugens worden verteld", aldus Erich Lessing in een interview met De Volkskrant waarin wordt vooruitgeblikt op deze expositie. Dat is waar, zij het slechts ten dele. Een reeks foto's kan wel degelijk aan de waarheid snuffelen. Maar een bijschrift is dan wel geboden. In dit geval: de politieke context van het werk van Lessing dat niet in één oogopslag is te zien.

Veertig jaar lang heeft het vrije Westen het onvrije Oosten vermanend of juist gloedvol toegesproken. De communistische machthebbers in het Oosten werden gewaarschuwd, hun onderdanige burgers kregen een hart onder de riem gestoken. In die vier decennia die de Koude Oorlog tussen Oost en West heeft geduurd - grofweg tussen de communistische machtsgreep in 1948 in Tsjechoslowakije en de val van de muur in 1989 - zijn die woorden echter zelden waargemaakt. De Koude Oorlog mocht dan in theorie een ideologisch gevecht, in de praktijk was het ook een klassieke strijd om geopolitieke machtsposities.

Die ideeënoorlog was verbaal en dus vaak esthetisch. Die tweede oorlog was een stuk banaler. In de eerste oorlog kregen de burgers van het sovjetblok morele steun, als ze op de bres stonden voor sociale rechtvaardigheid, democratische zeggenschap of socialisme met een menselijk gezicht. In de tweede oorlog bleken de materiële verhoudingen vaak net een slag anders. In 1953 moesten de opstandige arbeiders in de DDR het stellen zonder daadwerkelijke hulp uit het Westen. In 1968 zei een Nederlandse ex-minister van economische zaken een paar dagen na de militaire interventie in Tsjechoslowakije dat "de handel gewoon door gaat". En in 1981 had de Poolse vakbond Solidariteit net iets meer aan de vakbonden dan aan de regeringen in het Westen. In de Koude Oorlog werden de belangrijkste mogendheden in de wereld geregeerd door realisten, door politici die beseften dat vrijheid en democratie zich niet gewapenderhand laten afdwingen omdat de atoombom boven ieders hoofd hing. De Koude Oorlog zou eens warm worden.

Geen beter jaar om deze onvermijdelijke dubbelzinnigheid te illustreren dan het revolutiejaar 1956. Het begon met de "geheime rede" van Chroesjtsjov op het twintigste congres van de Communistische Partij der Sovjet-Unie, de speech waarmee het kleed onder de poten van Stalin werd weggetrokken. Het jaar eindigde met de herverkiezing van president Eisenhower in de Verenigde Staten.

In de tussenliggende maanden was het halve sovjetblok op drift. In Polen keerde de in 1948 door Stalin weggezuiverde leider Gomulka, na een arbeidersrevolte in Poznan, terug op het hoogste niveau. In Hongarije werd de stalinist Rákosi uitgerangeerd ten gunste van de politieke kloon Gerö. In Polen was die personele wisseling afdoende. In Hongarije niet. De portretten van Rákosi moesten in vlammen op. U ziet het straks hier op de tentoonstelling.

Een begrafenis was de aanleiding. Begrafenissen zijn vaak het begin van ingrijpende veranderingen. Op 6 oktober 1956 werden in Budapest de lichamen van zes jaar eerder als Titoïstische renegaten geliquideerde communisten bijgezet, nadat ze in het voetspoor van Chroesjtsjovs rede waren gerehabiliteerd. Tweehonderdduizend mensen waren daarvoor op de been. De colonne was in beweging. Op 23 oktober stonden er evenveel mensen voor het parlement. Gerö sprak hen toe als "kameraden". Communisten denken nu eenmaal vaak dat ze bemind worden door het proletariaat dat zij zo zeggen te beminnen. Gerö werd uitgefloten. Het beeld doet denken aan die laatste toespraak van Ceaucescu in Bucarest in december 1989. Het volk rukte op naar het omroepkwartier, kortom, naar de macht van het woord. De in Hongarije gelegerde sovjettroepen trokken, formeel op verzoek van Gerö, uit de kazernes om het oproerige volk, net als in 1953 in Oost-Berlijn, snel en gewapend de mond te snoeren. Het pakte anders uit. Het Hongaarse leger twijfelde of koos partij, zoals generaal Pál Maléter . De massa, die zich licht bewapend had, dreef de sovjettanks terug.

Hoewel het geopolitiek gesproken David tegen Goliath was, liet ook David zich her en der gaan. Het beeld van aan straatlantarens en bomen bungelende agenten van de geheime dienst is wellicht nog bekend. Antisemitische uitbarstingen - sinds eind negentiende eeuw een politiek explosief genre in Hongarije, mede omdat de joden toen bijna nergens zo geassimileerd en maatschappelijk succesvol waren als juist in Hongarije - bleven niet uit. Het waren wraakoefeningen, voortkomend uit ressentiment over de opdeling en vernedering van het ooit zo grote Hongarije bij de vrede van Trianon waarmee in 1920 de Eerste Wereldoorlog was beslecht.

Maar daarom maakte Moskou zich op dat moment niet de meeste zorgen. Het ging de sovjetleiding om het behoud van haar koloniale invloedsfeer in Oost-Europa. Het politbureau, dat via de telex en de rode telefoon van uur tot uur op de hoogte werd gehouden, trok eerst plan-B uit de kast. Partijleider Gerö en de premier moesten plaats maken voor hervormingsgezindere types á la Gomulka: namelijk Janos Kádár en Imre Nagy, twee communisten die eerder in de jaren vijftig het slachtoffer waren geweest van stalinistische paranoia. Het mocht niet baten. Premier Nagy was zo onder de indruk van de antislavische revolte - ook een oud sentiment in Hongarije - dat hij een radicaal programma ontvouwde. Op 1 november kondigde hij een nieuwe socialistische arbeiderspartij, waarin de communisten zouden moeten opgaan, en een meerpartijensysteem aan. Dat was al buitensporig voor het Kremlin. Maar Nagy proclameerde ook de neutraliteit van Hongarije, het uittreden uit het Warschaupact dat, anders dan de Navo, pas een jaar formeel bestond.

Dit nu ging echt te ver. Plan-C trad in werking. Zondagmorgen 4 november begonnen sovjettroepen ten tweede male, nu echt, aan de aanval. Bijna drieduizend doden en twintigduizend gewonden later was het voorbij.

En het Westen? Dat was zo solidair als de pest, maar voor het overige toch vooral bezig met de afwikkeling van de dreigende ramp rond het Suezkanaal waar tegelijkertijd ook geopolitieke strijd werd geleverd. Hongarije was voor Frankrijk en Groot-Brittannië een sideshow, een sideshow die ideologisch van belang was maar politiek nu even niet. 

Premier Nagy werd gevangengenomen en terechtgesteld. Partijchef Kádár, die zich met dubbelspel had ingedekt tegen elke mogelijke uitkomst, moest juist aanblijven om de rommel op te ruimen. Geen misverstand. Ook in Moskou voelde de leiding, en met name de KGB, donders goed aan dat de Hongaren een toontje lager moesten zingen maar dat direct sovjetbewind uiteindelijk averechts zou werken. De sovjetambassadeur in Budapest in die dagen was Joeri Andropov, de latere chef van de KGB en kortstondig partijleider die begin jaren tachtig probeerde om de "stagnerende en dementerende" Sovjet-Unie na Brezjnev weer in het gareel te krijgen. Het is een mythe te denken dat de machtsorganen ook na de dood van Stalin louter in repressie en geweld dachten. De stok moest hand in hand gaan met een wortel. Kádár formuleerde de sociale basis van zijn "gulash socialisme" geniaal. "Wie niet voor ons is, is tegen ons", had Stalin ooit gezegd. "Wie niet tegen ons is, is voor ons", varieerde Kádár. Het resultaat liet wel even op zich wachten. Maar 33 jaar na 1956 was Hongarije het eerste land dat zich uit het sovjetblok had gewurmd, al viel dat in het licht van het fotografische spektakel in Polen en de DDR niet zo op. 

Erich Lessing was daar niet meet bij. Hij had gekapt met de documentaire nieuwsfotografie. "Fotografie mag springlevend heten, als document is het morsdood", zei hij eerder dit jaar tegen Eddie Marsman in NRC Handelsblad.

Klopt. Helaas ook door dat besluit van Lessing. Want het resultaat van de rolletjes, die hij altijd heeft bewaard en waaruit hier een selectie hangt, is niet morsdood en zou dat in de toekomst ook niet mogen zijn. Fotografie, uitgevoerd naar de norm van Lessing, blijft een bron van historisch inzicht, van kennis en dus van meningsvorming. Fotografie pepert ons de paradox van de werkelijkheid permanent in.Fotografie is op de keper beschouwd beargumenteerd commentaar zonder argumenten.

Anno 2006 schieten fotografiemusea her en der uit de grond. Ze conserveren en geven zo het goede voorbeeld. Daarop zijn Lessing - en Capa, een Hongaar overigens, of Brassaï, ook al een Hongaar - indertijd vermoedelijk nooit uitgeweest. Maar die plekken van behoud bieden wel net genoeg pauze voor de wederopstanding van de documentaire fotografie. Op film of digitaal, dat maakt geen bal uit. Want dat videogereutel van nu gaat sneller vervelen dan de mol denkt. Al is het maar omdat die beeldenbrij niet eens poogt om een moment van waarheid te zoeken en te vinden. In die zin zou Lessing wel eens springlevend kunnen zijn. Hij heeft meer leerlingen dan hij vermoedt. Hij is nog steeds deel van een traditie.

Hubert Smeets
Groningen, 12 mei 2006